Pierre Carette en Bertrand Sassoye aangehouden …
Pierre Carette en Bertrand Sassoye, twee voormalige kopstukken van de CCC, zijn vanmorgen vroeg in hun woningen in Brussel opgepakt. Dat meldt het parket. Carette werd tot levenslang veroordeeld voor zijn aandeel in de bomaanslagen in de jaren ‘80, maar kwam in 2003 omwille van gezondheidsredenen vervroegd vrij.
Beide mannen zijn opgepakt omdat ze de voorwaarden van hun voorlopige vrijlating niet zouden nageleefd hebben. Sassoye en Carette moesten onder meer een vast adres hebben, vast werk zoeken en mochten geen onderling contact hebben.
De Minister sprak ten tijde van de vrijlating van Pierre Carette (in 2003) met beiden. Het interview met Bertrand Sassoye ging als volgt:
MVA:Bertrand, kan je misschien de context uitleggen waarin de CCC zijn begonnen, de historische context want dat is toch wel speciaal. Het is het grote offensief van het neo-libaralisme, Tatcher, Reagan, het einde van de jaren ‘70, begin jaren ‘80. De arbeidersklasse zit dan in het defensief. En juist in die periode in 1984, de eerste aanslag dateert van 12 mei ‘84, in welke context gebeurde dat?
BS: Ja, de arbeidersklasse zat in het defensief maar tegelijkertijd was de arbeidersklasse in strijd. Massale en radikale strijd. Ook daarin verschilt de context van die periode sterk met de omstandigheden van vandaag. Het is waar dat er grote offensieven waren van de overheid om de lonen te beknotten, om de koppeling aan de index op te heffen, om de rechten van de délégues aan te vallen, het stakingsrecht in te perken en allerlei sociale verworvenheden aan te vallen. Maar tegenover dat offensief van de burgerij was er een zeer grote en radikale mobilisatie, denk maar aan de algemene stakingen in de publieke sector, waar de treinen stopten in het midden van het platteland, de algemene stakingen in de staalnijverheid op het ogenblik dat Hainaut-Sambre en Cockerill fusioneerden, de extreem radikale en gewelddadige betogingen die plaatsvonden in Brussel, van de staalarbeiders, de boeren, kort daarop gevolgd door de strijd in de mijnen van Limburg en in andere sectoren. Dat was één van de grote karaktertrekken van die periode, en één van de karaktertrekken die mee aan de basis lagen van de geboorte van de Strijdende Kommunistische Cellen. Het was een verhoogde vorm van de klassestrijd. Dus een groot offensief van de bourgeoisie maar ook een zeer sterk verzet langs de kant van de arbeidersklasse.
Het tweede belangrijke kenmerk van de Belgische samenleving op dat moment was natuurlijk de tendens tot nucleaire oorlog met de plaatsing van de Amerikaanse kernwapens en de massale weerstand daartegen. Er waren betogingen van 400.000 mensen tegen de kernraketten. Uit de peilingen bleek dat 80% van de bevolking tegen de plaatsing van de kernraketten was terwijl 80% van de volksvertegenwoordigers voor plaatsing stemden. Op dat punt, zoals op andere, was er een uitzonderlijke zwakte van de klassieke klasseorganisaties zoals de vakbonden, de revisionistische partijen die gegroeid waren tijdens een periode van economische groei waar het grosso modo vooral ging over de herverdeling van de koek van de groei terwijl die organisaties tegenover het offensief van de borgeosie volledig machteloos en ontwapend waren en ofwel zijn ingestort of aan klassecollaboratie hebben gedaan.
Dus er was zowel op het éné als op het andere punt een lacune, een leegte. Er waren sterke tendenzen, een sterke tegenstand, sterke strijd, maar geen enkel kader, geen enkel politiek project waarbinnen die strijd tot uitdrukking kon komen. En het was in een poging om die leegte op te vullen dat de CCC zich gevormd hebben om tegelijkertijd een doel, een strategie, tussenstappen en vormen van strijd voor te stellen. Zonder evenwel te pretenderen om op alle vragen een antwoord te formuleren, want het ging tenslotte om een heel klein groepje dat niets anders deed dan bepaald voorstellen te formuleren. Maar het ging erover om op die lacune te antwoorden.
MVA: België had tot dusver geen enkele traditie van gewapende strijd of verzet. Frankrijk met Action Direct, Duitsland met de Rote Armee Fraktion en Italië met de Brigatte Rosso hadden dat wel. Op een zeker punt heeft er een poging tot frontvorming tussen die groepen plaatsgevonden, maar jullie zijn daar niet mee ingestapt, waarom?
BS: Als je spreekt over de traditie, dan moet je niet uit het oog verliezen dat zelfs wij, kommunisten, revolutionairen enzovoort, dat zelfs wij een groot deel van ons historisch geheugen kwijt zijn. Men moet weten dat er gedurende de jaren zestig tientallen aanslagen zijn gepleegd, tientallen. Spoorwegen, electriciteitsmasten, aanslagen op de ordestrijdkrachten, het hield niet op. Tijdens de jaren vijftig, dito. Tientallen en tientallen aanslagen om nog maar niet te spreken over het antifascistisch verzet, om niet te spreken over alle stakingen gedurende de jaren ‘30 die een permanent insurrectioneel karakter hadden met ontwapeningen van politie-agenten, dynamitages van politiecommissariaten, enzovoort. Dus die traditie bestond wel degelijk, alleen wordt ze niet als een traditie ervaren omdat ze door de dominantie ideologie uitgevlakt werd die bepaalt wat er zowel in de de cursussen geschiedenis op school als in de boeken die je in de boekenwinkels vindt. Maar die traditie van gewapend verzet is er dus wel degelijk. Veel minder groot dan in andere landen, maar groter dan men wil doen geloven. Dat is één zaak.
Een andere zaak is dat inderdaad met betrekking tot de ons omringende landen de kwestie van de gewapende strijd zich tien jaar later heeft gesteld. En de kwestie heeft zich ook gesteld juist omdat ze in de omringende landen aan de orde was in Duitsland en Frankrijk. Goed, het is geen geheim meer, verschillende militanten van de CCC zijn hun werk begonnen in de comités ter ondersteuning van de gevangenen van de RAF. Het is waar dat dat voor verschillenden onder ons een scholing was. Scholing enerzijds op politiek en ideologisch vlak en anderzijds in de letterlijke zin van het woord om te beginnen met clandestien werk en voor sommigen onder ons was het zelfs voor de oprichting van de CCC dat we met die organisaties samenwerkten.
Nu, de CCC werden opgericht in 1983, ik was in de revolutionaire clandestiniteit sinds 1982. Het is duidelijk dat ik in die periode met buitenlandse groepen samenwerkte en dat geldt ook voor andere leden van de CCC. Dat is één zaak.
Een andere zaak is dat die samenwerking, die ontmoetingen niet noodzakelijk betekenden dat we het politiek volledig eens waren. Dat is één van de problemen van de clandestiniteit van de clandestiene politieke organisaties, namelijk dat je niet noodzakelijk het meeste contact hebt met de organisaties waar je het meeste politieke affiniteit mee hebt. We stonden toen zeer dicht bij bijvoorbeeld de GRAPO in Spanje terwijl we veel meningsverschillen hadden met bijvoorbeeld Action Directe in Frankrijk die altijd een beetje een beetje een anarchistische basis hadden. Maar de geschiedenis is zo dat we meer contact hadden met AD dan met GRAPO.
MVA: In jullie teksten vermelden jullie twee lijnen, zogezegd de anti-imperialistische lijn, dat was dan de RAF en dan had je de Marxistische lijn. Maar kun je dat eens uitleggen, want dat verschil wordt mij nooit duidelijk.
BS: Het is een debat dat de revolutionaire beweging rond ‘84-’85 bezighield op het ogenblik waarop AD en de RAf, eigenlijk ligt de RAF daarvan aan de basis, hebben voorgesteld om front te vormen. Ze stelden een Westeuropees guerrillafront voor. Het ging er echt om om op Europese schaal te doen waar de RAF in Duitsland in geslaagd was, namelijk de radikale anti-nato, anti-Amerikaanse, anti-kapitalistische, anti-imperialistische oppositie te verenigen. Wij, communisten, zagen de revolutionaire strijd niet zo. Voor ons is het geen kwestie van anti-dit, anti-dat maar gaat het ook over een positief project, een project van de socialistische revolutie, gedetermineerd door een aantal tussenstappen, zoals ondermeer de fase van de oprichting van een echte klassepartij. Het leek ons dat de anti-imperialistische weg ons van die objectieven verwijderde. En op het einde van het verhaal zat er achter dat front een soort subjectivisme waarbij ieder deel van het front deed wat het nodig vond in functie van zijn land, van zijn terrein, van zijn eigen prioriteiten. Zo was er een groep in Duitsland die Rote Zora heette en die acties ondernam op het vlak van de bevrijding van de vrouw, er waren acties van groepen die vooral bezig waren rond internationale solidariteit, er waren anti-militaristische acties. Ons standpunt was om te bekijken wat zijn de prioriteiten op dat vlak, tussen welke scharnier kunnen we een breekijzer plaatsen om echte historische, politiek actie te veroorzaken. Dat was een vrij groot meningsverschil. En uiteindelijk hebben zich rond de these van het anti-imperialisme de RAF, AD en een vleugel van de Rode Brigades verenigd, terwijl wij ons, samen met een andere vleugel van de Rode Brigades en de Spaanse GRAPO, verenigden rond de marxistisch-leninistische stroming.
Het debat is toen verdergezet en elke tendens heeft nog steeds zijn aanhangers.
MVA: Nu, twintig aanslagen als ik goed geteld heb, op een jaar tijd. Hoe kan je dat logistiek, organisatorisch voor elkaar krijgen? Want het is toch wel een indrukwekkende lijst
BS: Iets wat ik geleerd heb uit de clandestiene strijd is dat de logistieke en technische problemen zichzelf oplossen zodra de politieke beslissing genomen is. Vanaf jhet ogenblik waarop men beslist om dat of dat soort acties te ondernemen en men er een soort prioriteit van maakt voor een organisatie of voor een deel van een organisatie, dan vinden de problemen vanzelf een oplossing. De logistiek lost zichzelf op één of andere manier op. We hebben nooit echte problemen of blockages gehad op dat vlak. Als we geconfronteerd werden met onoplosbare logistieke of technische problemen dan omzeilden we die en vonden we andere oplossingen. Het is ook amusant om te zien hoe men, toen er grote perscampagnes tegen ons werden opgezet, stelde dat het militaire technieken waren, dat we experts waren, dat soort dingen. Ergens leek het ons zelfs niet volledig onschuldig op ideologisch vlak. Het was een manier om ons voor te stellen als super-technici, super-experts, met als onderlinge boodschap dat de normale militant zoiets niet kan, dat het zijn petje te boven gaat, dat als hij een bom plaatst, dat hij zichzelf ook zal opblazen of dat hij binnen de week zal opgepakt worden. Dat was een beetje de impliciete boodschap. terwijl dat natuurlijk niet waar is. Het is geen tovenarij, het is niet zo moeilijk, het is niet moeilijker om een gewapende actie uit te voeren dan een niet-gewapende actie.
MVA: Jullie analyses en jullie teksten, ze zijn allemaal heel mooi geschreven, soms in het zware jargon. Jullie baseren je op het historisch-materialisme, op het marxistisch referentiekader in de analyse van klasseverhoudingen enzovoort. Nu wat mij daarbij opvalt is dat het resultaat van al die wetenschappelijk arbeid is dat een heleboel mensen gewoon in de nor zijn gevlogen en dat er nog altijd één vast zit.
Dachten jullie nu werkelijk dat jullie de steun van de Belgische arbeidersklasse zouden krijgen?
BS: Het is iets dat Ulrike Meinhof heeft gezegd en een ervaring die Che Guevara heeft opgedaan, namelijk dat het in de eerste weken van de strijd is dat een gewapende organisatie het meest kwetsbaar is. In de eerste fase van de strijd, met name op het moment waarop ze begint met haar wortels uit te strekken maar daar nog niet de vruchten van draagt. De inworteling van Che Guevara in Bolivië was niet minder belangrijk dan die in Cuba. We hadden een beetje hetzelfde probleem. We werden gepakt op het ogenblik dat we het meest kwetsbaar waren en ik denk dat we die nederlaag van de CCC niet moeten overdrijven. We moeten er een bilan uittrekken en maatregelen nemen en vooral het bilan van de echte militaristische deviatie die we hebben meegemaakt, waarbij we de ene na de andere militaire actie zijn blijven aaneenrijgen als parels aan een snoer, terwijl er buiten geen echt netwerk meer bestond dat de boodschap kon doorgeven in de bedrijven of op de strijdfronten. Maar waar dat netwerk wel nog bestond, waaren de echo’s zeer belangrijk. Er zijn zeer veel anecdotes van kleine groepjes sympathisanten die pamfletten verspreidden met de communiques die we verspreiden na de acties. Kleine groepjes sympatisanten die, vervolgd door de politie, werden door de arbeiders verstopt in fabrieken of waartegen men uitlegde welke deuren naar de uitgang leidden zodat ze konden ontsnappen.
Dus een difuse en algemene solidariteit in de arbeidersklasse genoten we wel, dat was duidelijk. En die solidariteit was even sterk als de antipathie van de kleinburgerlijke intellectuelen, genre leerkrachten, journalisten, kortom de intelligentia van het regime. Hoe meer die klasse ons verafschuwde, hoe meer sympathie we genoten bij de arbeidersklasse. Maar het is waar dat die sympathie zeer platonisch was en zich niet manifesteerde in een engagement in de clandestiene structuren. Daarvoor hadden we nog enkele jaren langer wortel moeten kunnen schieten, contacten leggen, verbindingen maken. En die tijd hebben we niet gekregen. Maar ik geloof niet dat we daarin een basisfout moeten zien in de strategie van de volksoorlog.
MVA: Ik meen dat jullie in jullie teksten en jullie analyse – ik wil niet pretentieus klinken – maar het lijkt me dat jullie de klasse ‘für sich’ en de klasse ‘an sich’ verwarren. Dat gebeurt bij heel veel linkse organisaties.
BS: Het probleem is dat we ons met de actie-communiques niet richtten tot 3 à 400.000 Belgische proletariërs. Het is duidelijk dat we ons richtten tot een beperkt fragment van die klasse, ‘t is te zeggen een gepolitiseerd fragment, bewust en ook een fragment dat de grenzen van het reformisme, het revisionisme al ondergaan had. Het is duidelijk dat we ons uiteindelijk richtten tot 2 à 3000 mensen, je kan dat zo niet tellen. En het is het engagement van dat deel van de klasse waarop we rekenden en op basis van die betrokkenheid een groter publiek wilden bereiken. Het is voor de hand liggend dat men zich met zo’n radikale strijd die zoveel vergt op zo’n hoog politiek niveau als de revolutionaire guerrilla niet richt tot 10 miljoen Belgen. Dat is waar en dat konden we ook niet hopen en we hoopten ook niet dat op slag grote massa’s zich in een opstand zouden engageren. Dus de communiques, en niet alleen de communiques maar heel de politiek van de cellen, richtte zich tot een kleine, bewuste fractie van de klasse en viseerde de ontluikende sympathie van grotere sectoren van de klasse.
MVA: Nu je hebt zelf zeer lang in de gevangenis gezeten, vijftien jaar, ondertussen is er natuurlijk heel veel veranderd. De muur is gevallen, de Sovjet-Unie is weg, al die socialistische experimenten zijn verdwenen. Welk gevoel had je toen je buiten kwam, dat heel die wereld veranderd was?
BS: De ineenstorting van de Sovjet-Unie en de Oosteuropese landen heeft ons relatief weinig geraakt in die zin dat we behoorden tot een stroming van de communistische beweging die al sinds de jaren zestig met de Sovjet-Unie gebroken had. Dus het heeft ons niet echt verbaasd. Het heeft ons verbaasd zoals het iedereen heeft verbaasd toen we de beelden zagen, maar voor ons was het niet de ineenstorting van het socialisme. De ineenstorting van het socialisme in die landen is gebeurd in de jaren vijftig, in het begin van de jaren vijftig.
MVA: Maar de nieuwe wereldorde, de eerste Golfoorlog, het einde van de geschiedenis volgens Fukuyama, dat is toch een heel ander referentiekader dan voordien?
BS: Nu, de nieuwe wereldorde is niet bepaald nieuw vind ik. Tussen de Golfoorlog en de Suezexpeditie is geen groot verschil.
MVA: Vandaag zijn er nieuwe bewegingen, er is bijvoorbeeld de anti-globalistische beweging. Wat daarbij opvalt is dat die vooral het symbolische veld betreedt, dat ze zelden of nooit echt de gewapende strijd aangaan maar vooral op het ludieke vlak, speels actief is. Die anti-globalistische beweging, daar zijn verschillende tendenzen is, je kan daar niet echt een lijn in trekken, maar wat is jouw visie daarop?
BS: Het is een zeer heterogene beweging. Ik denk dat we de anti-globalisatie beweging niet kunnen beperken tot de TuttiBianci, of zij die zich graag als vertegenwoordigers van de hele beweging voordoen. Ik zie bijvoorbeeld al die jongeren die zich in het Black Block organiseren en die de confrontatie zoeken met de ordediensten of met de symbolen. Ik kan mijn kritieken daarop hebben, maar het is duidelijk dat ze niet de symbolische confrontatie zoeken maar de reële confrontatie met de middelen die hen ter beschikking staan.
Dus die anti-globalistische beweging is rijker en heterogener dan men ons graag laat geloven. Ik denk dat voor de anti-globalistische beweging opgaat wat ook voor de anti-rakettenbeweging uit de tijd van de CCC en de anti-besparingsbewegingen van toen geldt, namelijk dat het anti-kapitalistische bewegingen zijn die zich niet bewust zijn van het feit dat ze anti-kapitalistisch zijn. En ze zijn zich daarvan ten dele niet bewust door het gebrek aan politieke analyse en politieke cultuur. Want daar zitten veel jongeren tussen zonder historisch besef, zonder politieke wortels die in de beweging komen zonder die proletarische cultuur die nog bestond in de jaren vijftig en zestig in de wijken door basisorganisaties enzo. En anderzijds hebben ze dat anti-kapitalistisch bewustzijn niet omdat de leiders van die bewegingen zich inspannen om ervoor te zorgen dat dat bewustzijn zich niet ontwikkeld en netjes binnen het kader blijft. Wat de kernraketten betreft ging het uitsluitend om het feit dat ze niet geplaatst werden zonder zich vragen te stellen over het imperialisme, zonder de nato in vraag te stellen. Op dezelfde manier waarop de vakbonden trachtten om de besparingsmaatregelen van de regering bestreden zonder hezt kapitazlisme in vraag te stellen. Hetzelfde geldt voor veel organisaties in de anti-globalistische beweging, organisaties die ervoor zorgen dat dat anti-kapitalistische bewustzijn niet tot ontwikkeling komt. Dat geldt voor ATTAC, Oxfam enzovoort. Bovendien zijn het dezelfde leiders hé. In 1984 herinner ik mij de grote betoging tegen de kernraketten waarbij de woordvoerder zei dat we vertrouwen moesten hebben in de parlementariërs om de raketten te weigeren. Het was Pierre Galand, ik heb hem horen zeggen: ‘we zijn met 400.000, het Parlement kan niet anders dan naar onze stem luisteren’. Drie weken later stonden de raketten daar omdat de parlementsleden voor gestemd hadden. Achteraf hebben we gehoord dat de raketten geplaatst werden nog voor de stemming in het Parlement. En op 14 december hoorde ik dezelfde Pierre Galand zeggen: ‘We zijn met 50.000, ze kunnen niet anders dan naar onze stem luisteren’. Ik denk dat het probleem hetzelfde is. Fundamenteel gezien zijn het anti-kapitalistische organisaties maar ze zijn er zich niet bewust van.
MVA: Wat kunnen we doen om daar wat aan te veranderen, mensen organiseren zich niet alleen hier maar overal. Wat heeft die beweging nodig om die sprong te maken?
BS: Ik ben misschien slecht geplaatst om daarop te antwoorden, ik ben nog maar twee jaar vrij. Ik ben nauwelijks in staat om de mogelijkheden en zwaktes vast te stellen. Het is duidelijk dat de beweging vandaag veel zwakker is dan ze vijftien jaar geleden was en dat er veel dingen opnieuw opgebouwd zullen moeten worden, al was het maar op het vlak van het geheugen. Als ik discussieer met jonge kameraden uit de anti-globalistische beweging, het spijt me voor hen, maar ze vinden opnieuw dezelfde dingen uit. Ze menen dat ze nieuwe vormen van strijd en van organisatie uitvinden en het zijn formules die al tien keer uitgeprobeerd zijn die al tien keer tot mislukkingen hebben geleid. Ik denk dat er zeker nieuwe verbindingen moeten gemaakt worden tussen verschillende vormen van strijd, verschillende krachten, verschillende etappes van strijd ook. Dat is een politieke werk, een ideologisch werk, een werk met betrekking tot de geschiedenis. Er moet ook werk gemaakt worden van een confrontatie, een politieke confrontatie binnen de organisaties. Ik den dat er nu een soort te algemene refleks is die eruit bestaat dat iedereen zich engageert en in een organistie binnen brengt wat hij kan. De anti-globalistische organisatie wordt dan een soort Spaanse herberg: ik kom met mijn prioriteiten, jij met de jouwe en dat is allemaal best, alsof er geen objectieve prioriteiten bestaan. Dat is iets dat me echt stoort en ik denk dat we via echte politieke debatten en echte polemieken moeten bestrijden, waar iedereen duidelijk maakt waarom hij zich engageert, wat hij wil, waarom hij daar is en wat hij niet wil. Vaak als we daarover praten is het een beetje alsof men wil terugkomen naar de sectaire extravaganties die eind jaren zestig bestonden met de eindeloze dogmatische polemieken, maar dat is het niet. Want zonder echt politiek leven en zonder confrontatie tussen de verschillende lijnen en stellingen geraken we nergens.
Een derde punt is dat het marsjeert en dat we mee moeten marsjeren en ons in de strijd moeten engageren. er is geen sprake van om op het balkon te blijven nadenken van ‘dat bevalt me niet helemaal dus ik engageer me niet’, nee, we moeten ons engageren in die strijd, we moeten ons op het vlak van de solidariteit engageren met de stakingen en de arbeidersmobilisaties, wat hun zwakheden ook zijn, we moeten ons organiseren in de anti-globalistische mobilisaties en tegelijkertijd onze kritiek en onze eigen lijn meebrengen.
MVA: In dat verband, de radikale linkerzijde in Belgie, het politieke landschap is helemaal versplinterd, er zijn verschillende groepen, verschillende sectes, partijtjes, misschien die naam niet helemaal waardig. Zou het niet beter zijn om de anti-globalistische beweging te versterken als de radikale marxistische linkerzijde de handen in elkaar slaat, een linkse herschikking?
BS: Daar komen we eigenlijk terug op het probleem van voordien, er moet een écht debat komen. Dus geen eenheid omwille van het plezier van de eenheid maar een eenheid rond een echte lijn, een echt project. Maar waar ik ook van overtuigd ben is dat, vanaf het moment waarop de krachten in de discussie komen, en niet alleen om de eigen kapel te verdedigen en te trachten de militanten van de naburige kapel over te nemen en er drie meer te hebben. Maar op het moment dat ze écht in debat gaan, écht de bedoeling hebben om een gemeenschappelijke lijn uit te bouwen die de meest coorecte lijn is op basis van de beschikbare informatie, dan denk ik dat er mogelijkheden zijn om vooruit te komen. En ruimtes zoals secoure rouge zijn plekken waar confrontaties zich voordoen tussen krachten van verschillende oorsprong…
MVA: Flor hier, (de uitbater van boekenwikel Aurora) we hebben het er daarnet over gehad, komt uit de strekking van de Grippisten, Jacques Grippa, dat is iets van de jaren zestig, dat is toch een beetje bizar, dat is een heel andere traditie.
BS: Ja en nee. Het is bizar omdat het een heel andere traditie is en ik zou er zou een hele hoop kunnen opnoemen, Flor komt van de Grippisten, ik kom van de strekking Communistes Combattantes, er zijn kameraden uit de marxistisch-leninistisch-maoistische strekking, er is een Enverist, er zijn kameraden die uit het buitenland komen en dus hun eigen ervaringen meebrengen, omdat het immigranten of vluchtelingen zijn, dus ja, als we onze parcours in ogenschouw nemen, dan is het zeer heterogeen. Maar daar wordt de link gelegd met wat we voordien zeiden, als we de bereidheid hebben om eenheid te creëren waar mogelijk, waar het politiek gezond is, waar het niet kunstmatig is, en waar we de ideologische gereedschappen hebben om een eenheidsstandpunten in te nemen, te weten de middelen en methodes van het marxisme-leninisme, het historisch-materialisme, het dialektisch-materialisme, daar gaat het op een heel natuurlijke manier. En uiteindelijk zijn die verschillende strekkingen en ervaringen een verrijking voor iedereen.
Flor: Ik denk dat het heel belangrijk is dat die eenheid zich vertaald in een gemeenschappelijke praktijk die op een correcte wijze gevoerd wordt. er wordt gediscussieerd. Bon, slogans gaan kalken bijvoorbeeld, daar wordt over gediscussieerd: welke slogans? en hoe gaan we dat ondertekenen? En wat heel belangrijk is, en dat heb ik zaterdag ontdekt en dat heeft me heel erg getroffen, daar waren een aantal nieuwe mensen, en wanneer je dazn met die nieuwe mensen gaan praten, ik geef een voorbeeld, daar was een meisje en die zei: terwijl ik deze morgen mijn koffie dronk, heb ik met mezelf een kwartier een discussie gevoerd. Waarom ga ik naar die betoging van rode hulp voor de vrijlating van Pierre? Sta ik daar helemaal achter? Ga ik daar enkel en alleen vandaag naartoe of ga ik een engagement aan? Ga ik mij verder lanceren in de Rode Hulp, en dat is belangrijk. Het is belangrijk dat je zo’n mensen kunt organiseren en ik ben er zeker van dat die persoon nog geen enkel woord van Marx gelezen heeft, maar die komt daar naartoe vanuit een gevoel van waarschijnlijk onrechtvaardigheid, maar ook vanuit, ik ga hier niet blijven vanachter mijn chauffage zitten, maar ik ga iets gaan doen. En het feit dat er zoveel stromngen binnen de Rode Hulp zijn, maar dat wij er toch in slagen om een gezamenlijke praktijk te ontwikkelen, ik denk dat dat een grote stap voorwaarts is en zou kunnen een voorbeeld zijn voor een aantal andere bewegingen.
MVA: Misschien nog even over de manifestatie voor de vrijlating van Pierre Carette, er waren iets meer dan honderd mensen, wat heeft dat betekend voor jou?
BS: Ik sta er een beetje ambivalent tegenover. Aan de ene kant, een goeie honderd mensen, dat is weinig in verhouding tot de situatie waarin Pierre zich bevindt. Ik meen dat er veel meer mensen gevoelig zouden moeten zijn daarvoor, want het gaat veel verder dan de ervaring van de CCC. Uiteindelijk, het feit dat men Pierre een uitzonderlijke straf laat uitzitten in uitzonderlijke omstandigheden wil zeggen dat men in dit land het politieke karakter van een misdaad een verzwarende omstandigheid is. Dat verdient blijkbaar een straf die bijne het dubbele is van normaal. Dus, ik denk dat zelfs vanuit een eenvoudige reflex van zelfverdediging en zelfbescherming de revolutionaire beweging Pierre zou moeten ondersteunen en zich in die strijd zou moeten engageren. Want Pierre is in zekere zin de eerste lijn van die confrontatie. Als men het aanvaard voor Pierre, dan zal men het morgen moeten aanvaarden voor Pierre, Paul, Jacques en overmorgen voor nog anderen en dan zal het te laat zijn. Er zijn zeer belangrijke precedenten en in die zin is honderd personen natuurlijk weinig.
Aan de andere kant, als je de media-black-out ziet wat Pierre betreft, erger nog, de perscampagnes, inbegrepen in linkse en radikaal-linkse hoek, beledigend, leugenachtig die hierover georganiseerd zijn, dan is honderd man niet weinig. Het is een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. Dus ik sta er een beetje ambivalent tegenover. Wat me geraakt heeft aan de manifestatie is de aanwezigheid van buitenlandse delegaties in het bijzonder van buitenlanders die in België leven. Er was een Chileense delegatie, een Turkse delegatie die zich geëngageerd hebben en voor hen is dat een serieus engagement, zelfs een risico. En ze hebben eraan gehouden om die solidariteit te tonen en dat heeft me geraakt. Want zij weten wat de burgerlijke repressie inhoudt, zij weten hoever dat kan gaan, ze weten dat ze geen enkele limiet heeft. Ze staat in verhouding tot het niveau van verzet. Hoe meer men zich verzet, hoe groter de repressie die man zal ondergaan. Zo eenvoudig is het. Er is niemand die de repressie provoceert, er is niemand die probeert ze te provoceren. Het is de strijd die de repressie ontlokt en dat is een escalatie waarbij we alleen maar kunnen proberen de sterksten te zijn. Dus die kameraden die die ervaring hebben, zijn gekomen en dat is iets belangrijks en dat moet de mensen uitnodigen tot nadenken.
MVA: Kun je iets zeggen over de concrete omstandigheden waarin Pierre gevangen wordt gehouden?
BS: Ten eerste is er de spionage. Men fotocopieert zijn post, en stuurt die lke ochtend door naar de staatsveiligheid. Er is ook spionage in de gevangenis. Men gaat na wie hij frequenteert. Zodra hij teveel met iemand geliëerd wordt, verplaatst men die persoon. Er zijn de omstandigheden waarin hij vervoerd wordt als hij voor de commissie moet verschijnen bijvoorbeeld. In elkaar gestuikt, de handen op de rug geboeid, geblinddoekt, onder de voeten van een rijskwachter, op de grond van de wagen. Zo wordt hij voor de commissie gebracht, en dat na zeventien jaar gevangenisstraf, zonder één enkel incident, terwijl hij 50 jaar oud is, dat is… (valt stil)
